3.3 Trainen voor endurance

Hoe je voorbereiding, training en wedstrijden in endurance aanpakt is deels een kwestie van door schade en schande wijs worden. Blindelings kopiëren wat succesvolle topruiters doen heeft weinig zin. Maar al is niet alles in je eigen situatie toepasbaar, je kunt veel leren door goed op te letten bij wedstrijden. Door op wedstrijden te vrijwilligen zie je veel en kun je veel leren. Bovendien help je daarmee de wedstrijdorganisaties om de wedstrijden mogelijk te maken. We willen allemaal graag wedstrijden rijden, maar daarvoor zijn vrijwilligers ook noodzakelijk om dit mogelijk te maken. Ook door andere ruiters te groomen of door samen te trainen kun je veel leren. Kijken en vragen is dus het motto. Veel ervaren ruiters doen ook mee aan kortere ritten om wedstrijdritme op te doen en de meesten van hen beantwoorden graag vragen van beginners, want tenslotte is iedereen een keer bij nul begonnen. Een enkele keer biedt de wedstrijdorganisatie zelfs de mogelijkheid om onder begeleiding van een ervaren ruiter mee te doen.

Een groot misverstand betreft de hoeveelheid kilometers die je moet maken om aan endurancewedstrijden mee te kunnen doen en een misschien nog wel groter misverstand betreft de snelheid waarmee je traint. Het is bepaald niet zo dat de conditie alleen maar groter wordt naarmate je thuis meer kilometers in hoog tempo afraffelt. Een paard heeft van nature al een enorm uithoudingsvermogen en om een ritje van 30 km in 9 km/u af te kunnen leggen hoef je echt geen ingewikkelde trainingsschema’s te hanteren. Consequent en gevarieerd trainen is belangrijk en natuurlijk zul je een bepaalde hoeveelheid werk moeten verzetten om conditie op te bouwen, maar het is daarbij essentieel het paard blij en werklustig te houden. Het karakter doet er in het begin verder weinig toe, al is een echt lui paard uiteraard niet geschikt voor endurance en een extreem opgewonden standje evenmin. Heb je een hengst dan houd je er rekening mee dat jij degene bent die ervoor zorgt dat anderen geen overlast ondervinden en hetzelfde geldt voor een paard dat soms slaat of bijterig is. Voor allemaal geldt: plezier in het werk, plezier in wedstrijden. Je kunt best een keer veel van je paard vragen in de training of bij een wedstrijd, maar het is minstens even zinvol ook eens iets met hem te doen wat hij leuk vindt of wat hem geen moeite kost. Drie uur alleen maar stappen is ook trainen! Een fit, levenslustig paard is bereid voor je te werken in de wedstrijd. Niet voor niets rijden de meeste topcombinaties ook nog kortere afstanden op een wedstrijd. Het is vaak leuker èn doeltreffender om tussendoor een passende trainingswedstrijd te rijden dan thuis het bekende rondje voor de zoveelste keer af te leggen.

Voor trainingsschema’s kun je te kust en te keur op internet terecht; maak vooral niet de fout strak aan een eenmaal gekozen schema vast te houden – het aanvoelen van je paard is veel belangrijker. Als hij een dagje niet veel zin heeft of merkbaar anders dan anders is of je een verandering aan de benen voelt (warme of zelfs opgelopen pezen) kun je beter het zekere voor het onzekere nemen en het rustig aan doen. Denk aan het bekende gezegde over het halve stapje terug, waarna je twee stappen vooruit kunt! Een aanrader voor beginnende ruiters is ook zeker het volgen van enkele clinics/workshops georganiseerd door de EnduranceAcademy.

 

Opbouw
Elk nieuw seizoen wijst de wedstrijdpraktijk uit dat een aantal paarden dat in de eerste wedstrijden imponerend presteert, snel afhaakt met blessures. Een gedegen opbouw is onmisbaar voor succes op lange termijn. Voor een ouder paard dat je al heel veel in het terrein hebt gereden, kan de voorbereiding vanzelfsprekend simpeler zijn dan voor een jong paard dat alleen de binnenbak kent. Je paard moet beslist eerst buiten, dat wil zeggen in het terrein en langs de weg, behoorlijk wat ervaring opdoen alvorens je verantwoord aan een endurancewedstrijd mee kunt doen. Zelfs de rustigste paarden worden bij een wedstrijd soms dolenthousiast, en dan is het een vereiste dat je toch controle houdt. Laat het paard rustig wennen aan de training; ga eerst bijvoorbeeld twee keer per week een ommetje maken van een uur en doe daarbij als basis ook veel stapwerk, deels in het zand, deels op de harde weg en liefst ook in geaccidenteerd terrein. Wees creatief! Bij gebrek aan echte heuvels kun je ook gebruik maken van taluds, een viaduct, dijken of een voormalige vuilnisbelt – dan ga je er wat vaker tegenop. Voer per week de hoeveelheid draf bij die ritjes op, en verleng de duur ervan, zodat je na een paar maanden met gemak de afstand kunt afleggen zoals die gevraagd wordt in de wedstrijd van je keuze. Daarna kun je eventueel de snelheid nog iets opvoeren, maar hou in gedachten dat verlengen van de afstand minder belastend is dan het verhogen van de snelheid. Voor recreatieve buitenritten is galopperen en soms zelfs al draven op de harde weg zo ongeveer een doodzonde, maar een goed endurancepaard maalt daar niet om, al is bij endurancewedstrijden in Nederland galop op asfaltwegen reglementair verboden. Slechts weinig wedstrijden gaan echter volledig langs keurige zandpaden of van mooie bermen voorziene betonwegen, dus is het handig ook op verharde wegen voorbereid te zijn. Bedenk ook in de training dat je met je paard niet op fietspaden mag rijden! Houd je te allen tijde aan de algemene (verkeers)regels. En het is ook belangrijk terreineigenaren te vriend te houden en dat doe je niet door vernielingen aan te richten of rotzooi achter te laten tijdens je training of op de wedstrijd.

 

Afwisseling en rust
Elke dag het zadel op je paard is niet nodig; vrije dagen na een zware training of na een wedstrijd zijn zelfs noodzakelijk. Een vrije dag betekent in dit verband: in de wei of in de paddock. Stilstaan in de box is niet goed, dan kun je beter bijvoorbeeld rustig gaan longeren of het paard aan de hand meenemen als je zelf aan looptraining doet of gaat wandelen. Ook langs de fiets draven vinden de meeste paarden een leuk uitje. Met een fietscomputer (een simpel model kost weinig bij een bouwmarkt of warenhuis) kun je afstand en snelheid registreren. Mooier is nog een goede gps al dan niet met hartslagmeter, zeker als je weet dat je beslist verder wilt in de endurance.

Ook is het dan een goed idee een logboek bij te gaan houden, waarin je alles wat je belangrijk vindt kunt noteren. Per dag: hoeveelheid/soort voer, eetlust, duur en soort training, conditie van het paard, ontworming, entingen, hoefsmid, hoestjes, verwondingen/blessures en de behandeling ervan, medicijngebruik. Bedenk dat ook in endurance op doping wordt gecontroleerd! En verzorg wondjes serieus, want ze kunnen reden voor een startverbod zijn – een bekend voorbeeld zijn beschadigde mondhoeken. Het is even wennen om dagelijks je notities te maken, maar de tijd die je erin steekt verdien je terug omdat je allerlei problemen dikwijls vaker tegenkomt en dan even terug kunt bladeren om te zien hoe je dat ook alweer oploste. Het behoedt je voor het maken van dezelfde fouten en geeft je overzicht bij de training.

Het belangrijkste dat je zelf moet ontwikkelen is gevoel voor tempo. Zet een rit in de buurt uit en reken uit hoeveel km dat precies is – ongeveer 10 km is handig. Rijd daarna te paard dat parcours, en probeer het achtereenvolgens in verschillende snelheden te rijden. Horloge erbij, of een stopwatch. Om te beginnen zal het tegenvallen een behoorlijk gemiddelde te halen, zeker als er obstakels in je parcours zitten zoals bruggen, verkeerslichten, kruispunten of drukke weggedeelten. Voor wedstrijden geldt hetzelfde, en daar verlies je bovendien tijd met de verzorging van je paard onderweg. Om bijvoorbeeld een gemiddelde van 12 km/u te halen zul je dus behoorlijk sneller moeten rijden! Ga niet als een gek van start bij een wedstrijd, zet je paard bij voorkeur in een rustige draf, maar doe ook niet overdreven kalmpjes. Rondstappen om alvast wat op te warmen doe je voor de start. De tijd die je in het begin verklungelt, zul je zeker op korte afstanden alleen nog ten koste van veel inspanning in kunnen halen. In dat kader is het handig de maximale rijtijd zelf thuis al uit te rekenen (soms zet een welwillende organisator die zelfs in het boekje!) en bij je te hebben, zodat je bij moeilijkheden (verdwalen, warm weer, inzinking) de uiterste tijd waarop je moet finishen in de gaten kunt houden om te voorkomen dat je nèt te laat binnenkomt en dus niet geklasseerd wordt. Om uit een dip te raken is het heilzaam een stukje naast je paard te lopen, dat ontspant de rug bovendien ook nog. Zorg wel dat je te paard start èn te paard finisht; voor het overige zou je zelfs de hele wedstrijd naast je paard mogen lopen als je dat nuttig vindt…

Neem de routekaart beslist mee te paard tijdens de wedstrijd, en zorg dat je er iets mee kunt als je verdwaalt of als de markering weg blijkt te zijn gehaald door lieden die niet met hun vingers van andermans spullen af kunnen blijven. Bovendien is het ding nuttig als er de kilometeraanduidingen op aangegeven zijn – dan kun je ook op de kaart controleren hoe ver het nog is naar de finish. Houd je kaart droog, net als je vetkaart, zodat je er ten allen tijde over kunt beschikken. Wat betreft je vetkaart is het ook belangrijk dat je oplet dat je starttijd correct linksboven wordt ingevuld, evenals de gegevens van voorkeuring en nakeuring, want als achteraf blijkt dat die er niet goed op staan, wordt het soms lastig om dat te achterhalen.

 

Snelheidswedstrijd
Hou er rekening mee dat endurance ook op beginnersniveau een snelheidswedstrijd is, waar de normale beleefdheid jegens niet-wedstrijdruiters wel in acht wordt genomen, maar waar je als wedstrijdruiters onder elkaar ervan uitgaat dat je bijvoorbeeld kunt blijven draven of soms zelfs galopperen als je elkaar tegenkomt of inhaalt. “Snelheid naar redelijkheid aanpassen aan de omstandigheden” heet dat. Inhalen doe je na aanroepen en je kunt ook bij tegenliggers standaard vragen of je mag blijven draven: het kost niks extra en maakt een nettere indruk dan botweg langs te komen vliegen en daarmee mensen in problemen te brengen. Een combinatie die bezig is aan een klasse II of III rit (klasse 0/1 draagt gele hesjes, de overige klasses groen, oranje of blauw)) zal namelijk altijd proberen zoveel mogelijk in het ritme te blijven, omdat het voor zowel ruiter als paard erg vermoeiend is steeds het tempo te moeten wisselen. En alsmaar beleefd in stap overgaan haalt de snelheid drastisch omlaag. Dus als het enigszins kan, dan is het voor iedereen fijner als je kan blijven rijden in hetzelfde ritme zonder steeds af te moeten remmen. Tijdig aanroepen en goed kijken hoe het andere paard reageert kan ervoor zorgen dat je allemaal vaak je tempo gewoon aan kan houden.

Scroll to Top